Tim Krabbé                                  
 
 

 

 

 

 

 

 


 

De Matador en andere verhalen

Inhoud

   'Twee pelgrims' verhaalt van de heimlijke observaties van Lodewijk Stern. Met een verrekijker houdt hij vanaf de Torre del Mangia zijn vroegere rivaal Basje Geelof in de gaten. Lodewijk kreeg Basje, die beneden op een pleintje zit, toevallig in zijn vizier. Jaren geleden verloren ze allebei hun hart aan de gracieuze Marcelle. De inmiddels gevierde zangeres kon echter geen keuze maken en hield beide mannen aan het lijntje. Maar na diverse slinkse spelletjes zette Marcelle uiteindelijk zowel Basje als Lodewijk aan de kant. Nu voelt Lodewijk zich in zekere zin verbonden met deze voormalige mededinger. Lodewijk denkt zelfs dat ook Basje in Siena alle plekjes opzoekt die aan Marcelle herinneren.

   Ondanks een zekere compassie voor lotgenoot Basje voelt Lodewijk zich toch superieur. Verschillende keren vraagt hij zich af wat Marcelle in de dertien jaar jongere Basje zag. Hun werelden lagen immers hemelsbreed uit elkaar. Hoe was deze ongeschoolde arbeider dan twee jaar lang in staat de aandacht van de verheven Marcelle met haar conservatorium-achtergrond te boeien?

   Terwijl beneden op het pleintje een saxofonist zich installeert, dwalen Lodewijks gedachten af naar die keer toen hij en Marcelle op de klanken van zijn muziek dansten. Terwijl hij eerst Basje beslist niet tegen het lijf wilde lopen, besluit hij hem nu -indien Basje de toren opgaat en een ontmoeting onvermijdelijk is- te troosten, omdat Marcelle ook van hem misbruik heeft gemaakt.

   Deze geste kan Lodewijk echter niet waarmaken. Tot zijn ontsteltenis neemt hij waar hoe Basje een vrouw begroet: Marcelle. Wederom voelt Lodewijk zich verraden door het stel. Wanneer de geliefden de toren opklimmen, ziet Lodewijk kans zich ongemerkt uit de voeten te maken. Hij schrijft Marcelle een briefje, wurmt de envelop door een openstaand raampje van haar auto en steekt vervolgens in blinde woede de vier banden met een keukenmes kapot. Redelijk opgelucht wil hij Siena verlaten, maar tot zijn verbazing kan hij de uitgang van de stad niet meer vinden. Terug op het pleintje is Lodewijk er getuige van hoe Marcelle de saxofonist opdracht geeft hún liedje nog eens te spelen. En in tegenstelling tot hun dans slaat ze Basjes aanbod om te dansen af.

 

   Jarenlang is de naamloze ik-persoon uit 'De muur' gefascineerd door Zouïka. Samen met acht andere namen komt Zouïka voor op een plaquette op een muur bij de huisjes van de familie Leeman in het Zuidfranse Talayak. De roepnaam Zouïka springt eruit tussen de 'gewone' voor- en achternamen van de andere acht gevallen verzetstrijders. In de Tweede Wereldoorlog zaten zij met zijn allen in Talayak ondergedoken en na hun dood is er een gedenkplaat in de muur aangebracht.

   Op een dag blijkt dat er een nieuwe plaquette aan de muur is bevestigd waarop Zouïka's naam ontbreekt. De ik-persoon gaat op onderzoek uit, maar noch de inwoners noch de plaatselijke autoriteiten kunnen opheldering verschaffen omtrent de geheimzinnige verdwijning. Alleen een boekverkoper licht een klein tipje van de sluier op. Hij wijst de ik-persoon op een oud naslagwerk dat over de verzetsgroep gaat. In dit boek staat Zouïka's werkelijke naam vermeld: Georges Chichepartiche. De ik-persoon komt erachter dat Zouïka met een verbrijzelde rechterarm in een ziekenhuis belandde. Korte tijd later ontving de verzetsgroep het droeve bericht over Zouïka's verscheiden. Terstond verlieten de mannen hun schuilplaats, waarna zij binnen de kortste keren zelf hun leven verloren.

   Anneke Leeman, de vroegere vriendin van de ik-persoon, is uiteindelijk degene die de puzzelstukjes bijelkaar voegt omtrent de verdwijning van Zouïka's naam op de gedenkplaat. Zij laat de ik-persoon weten dat onlangs bekend is geworden dat Zouïka nog leeft. Zijn naam is toen meteen van de plaquette verwijderd, want de plaat is alleen bestemd voor de gevallen verzetstrijders. Zouïka nam daar echter geen genoegen mee. Hij voerde actie om weer bij zijn vrienden te mogen staan. Uiteindelijk is dat zijn dood geworden. Zouïka liet namelijk een replica van de eerste gedenkplaat maken die hij in de muur wilde plaatsen. Met zijn ene arm bestuurde hij de auto, maar hij verloor de macht over het stuur. Terwijl zijn auto in het ravijn stortte, werd Zouïka door de plaquette verbrijzeld.

 

   In 'Vijfenveertig cent' ziet de ik-figuur Serge Lötschke zijn kans schoon en ontsnapt samen met de zware jongens Spiro en David uit de gevangenis. Tijdens de ontsnapping wordt een bewaker gedood en ook David legt het loodje. Eenmaal buiten kaapt Spiro een auto, waarmee hij en Serge de vrijheid tegemoet gaan. Bij een verkeerscontrole valt het duo echter door roekeloos rijgedrag door de mand. Wederom weet Serge te ontkomen. Hij steelt een fiets en komt op een bankje enigszins tot rust. Achter de tralies droomde hij van de vrijheid, maar nu hij die heeft weet hij er geen raad mee. Wat moet hij doen? Waar moet hij heen?

   Opeens hoort Serge zijn signalement op een radio uit een nabijgelegen bouwkeet. Doelloos loopt hij een straat in. Plotseling ontdekt Serge dat hij zich vlakbij zijn oude school bevindt. Zijn gedachten dwalen af naar meester Pierik die op een dag bekend maakte dat er vijfenveertig cent gestolen waren. De leraar gaf de dief de kans anoniem het geld te retourneren. Iedere leerling moest naar een aangrenzend klaslokaal waar hij of zij de buit kon achterlaten. Serge verdacht Dini Langeizen, aan wie echter niets te merken was. Hij probeerde zich in te denken hoe Dini zich voelde en om zich met haar te vereenzelvigen deponeerde hij een dubbeltje in het potje.

   Ondertussen haalt de politie de inmiddels getrouwde Dini Langeizen (in dit tweede gedeelte is Dini de ik-persoon) thuis op. Serge, die een jonge vrouw in een speeltuin in gijzeling houdt, heeft geëist Dini te spreken. Tijdens de rit in de politiewagen vraagt zij zich af wat Serge van haar wil, want ze kan hem nog maar amper voor de geest halen. Zodra hij haar ziet, vraagt Serge naar de vijfenveertig cent. Dini beweert dat zij het geld nooit gestolen heeft. Iedereen op school was er van overtuigd dat híj het geld ontvreemd had. Na dit ontluisterende antwoord wil Serge de hand aan zichzelf leggen, maar het pistool hapert en de politie overmeestert hem.

 

   In 'Tussenlanding' begeeft Guido zich met de bus naar het IJslandse Stykkishólmur. In dit rustige vissersplaatsje woont Ulla, een potig meisje met rode krullen dat jaren geleden met haar betoverende glimlach Guido's hart veroverde. Toentertijd maakte hij nog samen met zijn vrouw Nicole bijna jaarlijks een tussenstop in het stadje. Inmiddels is Guido gescheiden. Na een gelukzalige droom over Ulla heeft hij eindelijk de knoop doorgehakt en besloten haar te bezoeken.

   Met hooggespannen verwachtingen gaat Guido voor de zevende maal naar de plaatselijke supermarkt, waar Ulla werkt. In tegenstelling tot de voorgaande ontmoetingen, die nogal vluchtig van aard waren, maakt hij ditmaal een afspraakje met Ulla, wier echte naam Hrefna Kristjansdóttir is. Samen brengen ze de nacht door op een romantisch eilandje dat toebehoort aan Hrefna's vriendin Ginny. Nadat Hrefna naar haar werk is vertrokken, blijft Guido nog enige tijd bij deze Amerikaanse kunstenares logeren. Uiteindelijk neemt hij met een verjaardagscadeautje voorgoed afscheid van Hrefna en zijn IJslandse droom.

 

   In 'Full-prof' staan twee beroepsgokkers centraal. De ik-figuur ontmoet de sjofele Rosenfeld voor het eerst in een Frans casino. Hij heeft meteen door dat ook Rosenfeld een systeemspeler is. De ik-figuur herkent namelijk veel in zijn evenbeeld. Toch is aan Rosenfelds gebaren af te lezen dat hij een beginneling is die voorzichtig inzet, omdat hij zijn gokkapitaal nog moet opbouwen.

   Het gokkersbestaan stemt de ik-figuur wel eens mistroostig, omdat het winnen hem te lang duurt. Ondanks het feit dat hij een behendige kaartenteller is, heeft hij het systeem niet altijd in de hand. Op gezette tijden verliest hij dan ook een flinke duit, maar hij kan zich beheersen en overschrijdt zijn limiet niet.

   Hij vertrekt naar de Côte d'Azur met het plan binnen een maand twintigduizend gulden te verdienen. Het lot zal echter anders beslissen. In Monte Carlo loopt hij Rosenfeld weer tegen het lijf. Binnen een kwartier verliest de ik-figuur vierduizend gulden. Hij besluit te stoppen, maar keert na een korte adempauze toch weer naar het casino terug, waar hij nagenoeg zijn hele kapitaal in fiches omzet. Samen met Rosenfeld neemt hij plaats aan een blackjack-tafel. De ik-figuur zet kleine bedragen in omdat hij niet wil dat men hem voor ordinaire gokker verslijt. Een Indiër, die in zijn box meespeelt, speelt met grotere bedragen. Keer op keer wint de ik-figuur én dus de Indiër. Maar als de ik-figuur éénmaal verliest, druipt de Indiër af. Dit vertrek luidt meteen het begin van zijn ondergang in. De ik-figuur kan noch stoppen noch weggaan, want hij weet dat dit het moment is waarvan hij de laatste tijd had gedroomd: het tijdstip waarop hij alles zou gaan verliezen, het moment waarop hij het toeval in zijn macht had.

   In een Amsterdams casino treft de ik-figuur Rosenfeld voor de derde maal. Hij vangt op dat Rosenfeld er miljoenen heeft weggesleept. Toch benijdt Rosenfeld de ik-figuur, omdat hij hard voor zijn geld moet werken en zich geen vrije tijd kan veroorloven. Daarom geeft Rosenfeld ook ruiterlijk toe dat hij indertijd liever op de stoel van de ik-figuur had gezeten toen hij al zijn geld verspeelde.

 

   In 'De sloop' krijgt Hélène 's ochtends een telefoontje van haar voormalige partner Anton Schotanus. Hij belt haar met de vraag of hij haar auto kan lenen. Anton wil bij de sloop een nieuwe radiator halen, omdat die van zijn eigen Peugeot kapot is. Met lichte tegenzin stemt Hélène toe. Ze geeft hem de zwarte Jaguar van haar huidige vriendje Marc mee, die zelf met haar Honda onderweg is. Anton krijgt de peperdure slee alleen mee onder voorwaarde dat hij hem krasvrij terugbrengt.

   Anton is in de wolken. Gisteren was hij nog even op de televisie te zien en vandaag rijdt hij rond in een heuse Jaguar. Hij behandelt de auto uiterst voorzichtig, want hij wil hem weer heelhuids en het liefst ook nog zonder modderspatten bij Hélène afleveren.

   Bij de sloperijen aangekomen kiest Anton op goed geluk de sloperij van 'Witte Cees'. Op het terrein zit hij direct in het vaarwater van een dikke blonde jongen. Eerst heeft de knaap commentaar op de wijze waarop Anton de Jaguar geparkeerd heeft, daarna verlangt hij statiegeld op de tweedehands radiator. Om de jongen uit de weg te gaan, neemt Anton even op een auto plaats. Ook daar maakt de jongen aanmerkingen op, want die wagen is zojuist gespoten. Als er bovendien een kras op de auto blijkt te zitten, eist de jongen een schadevergoeding van vijfhonderd gulden. Anton ontkent dat hij de dader is en weigert het geld te betalen.

   Ondanks zijn uiterlijke onverschrokkenheid, raakt Anton toch enigszins in paniek om de eventuele reactie van de jongen. Hij overweegt zelfs even te vluchten, maar bedaart tenslotte, omdat hij hoopt dat de baas hem zal beschermen. Bij het afrekenen van de gedemonteerde radiator wordt hem echter pas duidelijk wie dé baas is: de blonde jongen. Wederom eist de knaap dat Anton de kras vergoedt. Vliegensvlug neemt hij de benen, maar de jongen rijdt hem met de bekraste jeep klem. Als Anton nogmaals weigert voor de schade op te komen, beschadigt witte Cees met een vlijmscherpe schroevendraaier de motorkap van de Jaguar.

 

   De veertigjarige Menno maakt in 'Honger' zijn huis gereed voor de komst van de twintigjarige Anna, met wie hij over enkele uren een afspraakje heeft. Hij vertrekt naar het park, waar ze elkaar weldra zullen ontmoeten. Maar Menno komt er al snel achter dat hij een blauwtje loopt.

   Thuis bekent hij zijn partner Carla dat Anna niet is komen opdagen. Carla raadt hem aan Anna op te bellen. Menno voelt zich betrapt tijdens zijn vreemdgaan, waarvan Carla toch op de hoogte is. Na het telefoontje van zijn vriend Leo stuurt Menno een telegram naar Anna. Binnen de kortste keren reageert zij op dit bericht, waarna ze een afspraak voor die avond maken.

   Ditmaal houdt Anna wel woord, al verloopt de ontmoeting anders dan Menno had gehoopt. Tijdens de conversatie vallen namelijk veel stiltes, maar geleidelijk aan komt Anna toch los. Ze vertrekken naar een hotel, waar ze gezamenlijk de nacht door brengen.

   Terwijl Anna op één oor ligt, kan Menno de slaap niet vatten. Hij wordt gekweld door een plotseling opkomende grote eetlust. Op die honger te stillen trotseert hij de regen. In de kleine uurtjes doolt hij door de stad op zoek naar een automatiek. Uiteindelijk besluit hij naar huis te gaan, waar hij zijn buik vol eet aan het voedsel uit zijn eigen koelkast. Met een goedgevulde maag keert hij vervolgens als een dief in de nacht naar de hotelkamer terug.

 

   In 'Meester Jacobson', het langste verhaal van de bundel, staat Daniël Jacobson centraal. Na dertig jaar keert hij naar zijn oude middelbare school terug, waar hij is uitgenodigd voor een simultaanpartij. Wanneer hij op het Erasmus Lyceum arriveert, is er nog niets gereed. Onder de leerlingen blijkt weinig animo voor schaken te zijn, wat ertoe heeft geleid dat de schaakclub al jaren geleden ter ziele is gegaan.

   Vroeger was dat anders. In de dagen dat Jacobson achttien jaar was, speelde hij een spectaculaire partij tegen de zes jaar jongere Japie Peltz. Toentertijd verloor Peltz, maar tegenwoordig maakt hij furore. Zelfs de wereldtitel ligt binnen handbereik, wat zekere gevoelens van jaloezie bij Jacobson teweeg brengt. Hij had de roem liever op zijn eigen rekening geschreven, want hij vindt dat die vreemde Peltz, wiens ontwikkelingen hij op de voet volgt, qua uiterlijk weinig op een schaker lijkt. Diep in zijn hart weet Jacobson echter wel dat die opvatting louter op afgunst berust, omdat zijn vroegere rivaal Peltz meer schaaktalent heeft dan hij.

   Als Jacobson na het spelen van de wedstrijden het Erasmus wil verlaten, vraagt een schuchter jongetje of hij bereid is tot correspondentieschaak. Jacobson wil het aanbod eerst afslaan. Maar als hij de partij van die knaap voor de geest haalt, moet hij toegeven dat de jongen de enige was die het schaken redelijk beheerste. De jongen weet Jacobson uiteindelijk over te halen. Met lichte tegenzin gaat Jacobson akkoord, maar zodra hij zijn toestemming heeft verleend bekruipt hem al de spijt.

   Eenmaal thuis stort Jacobson zich vol overgave op de 'Bodemloze Put'. Met dit gecomponeerd schaakprobleem houdt hij zich al geruime tijd bezig, maar ondanks zijn inspanningen wil het nog niet helemaal uit de verf komen. Toch hoopt Jacobson de 'Bodemloze Put' op tijd klaar te hebben, want hij wil het probleem laten meedingen in het Wereld Compositie Toernooi.

   Door de 'Bodemloze Put' vergeet Jacobson even de correspondentie. Enkele dagen na zijn gastoptreden op het Erasmus ontvangt hij echter de eerste brief van de jongen die Pepijn de Jong blijkt te heten. Wederom ergert Jacobson zich eraan dat hij heeft toegezegd. Door middel van een smoes probeert hij er alsnog onderuit te komen. Hij wil als oorzaak tijdgebrek aanvoeren, maar de werkelijke reden is dat Jacobson graag geld voor zijn diensten had willen zien. Toch blijkt Pepijn opnieuw in staat om Jacobson van gedachten te laten veranderen. Hij heeft zijn brief namelijk gericht aan IM Jacobson. Vooral de toevoeging IM -internationaal meestertitel- streelt Jacobsons ego en hij doet de toegevoegde gefrankeerde antwoordenvelop nog dezelfde dag op de bus.

   Pepijn stuurt zijn zetten op een originele wijze naar Jacobson die zich er ontzettend aan ergert. Ook zijn eigen opening zit hem dwars. De jongen heeft het voordeel aan zijn kant, want hij kan de schaakboeken erop naslaan om het beste uit de bus te komen. Bovendien imiteert Pepijn een belangrijke partij van Peltz. Hierdoor is Jacobson genoodzaakt de Bom van Brisbane te spelen en voor de eerste maal kijkt hij uit naar de volgende zet van Pepijn. Als die echter uitblijft, blaast Jacobson de partij wegens tijdsoverschrijding af.

   Na twee maanden komt de post weer opgang. In een getypte brief verontschuldigt Pepijn zich voor zijn late reactie. Wegens ziekenhuisbezoek kon hij niet eerder reageren. Jacobson heeft meteen spijt van zijn brute afwijzing en besluit de draad weer op te pakken. De correspondentie gaat nu in normaal tempo verder. Toch meent Jacobson een zekere verandering te bespeuren, want Pepijns brieven zijn minder spontaan en ook de gebruikelijke antwoordenveloppen ontbreken. Als Pepijn ook nog eens een opmerkelijke zet doet, gaat Jacobson twijfelen aan de capaciteit van zijn jonge tegenstander.

   Op een zonnige lentedag ontmoet Jacobson zijn rivaal Peltz die hem spontaan uitnodigt mee naar Artis te gaan. In de dierentuin praten ze over de belangrijke partij van Peltz. Tussen neus en lippen door oppert Jacobson de alternatieve zet die Pepijn onlangs speelde. Het brengt Jacobson in verwarring dat ook Peltz van die mogelijkheid op de hoogte is. Jacobson vermoedt dat er sprake is van een 'samenzwering'. Plotsklaps is het hem duidelijk hoe de vork in de steel zit: Pepijn de Jong is de zoon van Quinten -over wie Jacobson zich in het verleden overigens meermaals laatdunkend uitliet- die op zijn beurt weer de manager van Peltz is. Jacobson is ervan overtuigd dat Peltz zijn tegenstander van het correspondentieschaak is, die door de briefwisseling eindelijk revanche wil nemen vanwege het verlies van het schoolkampioenschap. Door deze wetenschap bijt Jacobson zich helemaal in de partij vast.

   Tijdens de wedstrijd om het wereldkampioenschap biedt Jacobson aan Peltz openlijk remise aan. Peltz beweert echter nergens vanaf te weten. Ook de naam van Pepijn de Jong laat geen belletje rinkelen. Jacobson staat perplex. Na het plegen van een paar telefoontjes komt Jacobson weldra achter de ware toedracht: zijn jonge tegenstander Pepijn is al bijna een jaar dood en ter nagedachtenis aan zijn zoon heeft Quinten de Jong de correspondentiepartij voortgezet.

   In 'De matador' slaat de ik-figuur, Schwab, de waarschuwing van een ober om het Baskenland te mijden in de wind. Hij begeeft zich naar Lequetio, een pitoresk havenstadje waar Schwab in het verleden al eens met Ellie op vakantie was. Toentertijd hebben ze er een fantastische tijd doorgebracht en Schwab keert in zijn eentje naar het stadje terug om oude herinneringen op te halen.

   Door de jaren heen is er veel veranderd. De ETA strijdt voor een onafhankelijk Baskenland, wat ze met bloedige aanslagen en ontvoeringen probeert te bereiken. Lequetio zelf maakt een verlaten indruk. Het handjevol mensen dat op straat is, is nors. Dit weerhoudt Schwab er niet van diverse foto's te maken, waaronder ook van het hostel waar hij en Ellie logeerden.

   Als Schwab het stadje verlaat, wordt hij op een besneeuwde weg door een bestelbusje gepasseerd. Twee gemaskerde mannen met wapens beduiden hem te stoppen. Ze nemen hem in het busje mee naar een verlaten plek. Hier krijgt Schwab te horen dat hij als krijgsgevangene terecht staat voor het volkstribunaal. Hij heeft foto's gemaakt, wat in deze tijd zeer verdacht is. Lequetio is geen stad waar ze op toeristen zitten te wachten.

   Schwab meent in een van de mannen van het volkstribunaal de matador te herkennen. Deze stierenvechter was indertijd erg verliefd op Ellie. Schwab krijgt weer hoop, maar dat is slechts van korte duur. De matador blijkt namelijk de rechter te zijn die hem -de spion- ter dood veroordeelt. Ondanks verwoede pogingen om aan de matador zijn identiteit bekend te maken, herkent de stierenvechter hem niet.

 

Bespreking

   De bundel 'De Matador' bestaat uit tien verhalen, waarvan er acht reeds eerder zijn gepubliceerd in tijdschriften als 'De Tweede Ronde', 'Intermagazine', 'Playboy' en 'Zero'. Zoals eerder bij de desbetreffende bespreking al naar voren is gekomen, verscheen 'De scherprechter van Korfoe' als relatiegeschenk. In de verantwoording verklaart Krabbé dat hij de oudere verhalen -soms ingrijpend- heeft bewerkt. Alleen 'Meester Jacobson' ziet hier voor het eerst het daglicht.

   Veel recensenten beginnen hun bespreking met de verwijzing naar 'Het Gouden Ei'. Dit boek ontving geen toelage van het Fonds voor de Letteren, omdat de adviescommissie het boek te weinig literair vond. De recensenten die 'De Matador' bespreken stellen zich de vraag of deze verhalenbundel wel aanspraak kan maken op het etiket 'literatuur'.

   Helaas blijkt deze vraag een retorische vraag te zijn. De recensenten laten namelijk in het midden of 'De Matador' tot de literatuur gerekend kan worden, al spreken ze over het algemeen wel een positief oordeel over de bundel uit. De strekking van de meeste recensies is samengevat de volgende: de recensenten waarderen de originele onderwerpen die glashelder en tijdloos zijn. Ook de toon valt in de smaak, omdat hij nooit sentimenteel is, maar eerder ontroerend, opgewekt of geestig. En natuurlijk versmaden de recensenten ook de ontknopingen niet, want na een enerverende intrige volgt altijd een verrassende wending met vaak een sinister slot.

   Vooral de besprekingen van Jessica Durlacher (de Volkskrant, 8-3-1991) en Doeschka Meijsing (Elsevier, 27-4-1991) springen eruit, omdat beiden op de doeltreffende openingszinnen van de afzonderlijke verhalen wijzen. Krabbé beheerst namelijk de tactiek om in die heldere beginzinnen op bondige wijze de situatie te schetsen die komen gaat of reeds gebeurd is. Deze schrijfmethode wekt de nodige nieuwsgierigheid op en creëert een zekere spanning, waardoor de lezer aangemoedigd wordt verder te lezen. In de ogen van Meijsing is Krabbé dan ook een "geboren verteller."

   Centraal thema in de bundel is het najagen van obsessies. Alle personages zijn op de een of andere manier van iets of iemand bezeten. Dat kan een vroegere geliefde zijn (Twee pelgrims/De matador) of een rivaal (De scherprechter van Korfoe/De sloop/Meester Jacobson), maar ook een opmerkelijk voorval (De Muur/Vijfenveertig cent) of een bijzondere ontmoeting (Tussenlanding/Full-prof/Honger).

   Vaak heeft deze gedrevenheid betrekking op het verleden. De personages worden in de houdgreep gehouden door onverwerkte gevoelens die in het heden de kop opsteken. Met lede ogen kijken ze terug naar de toenmalige situatie. In de tegenwoordige tijd proberen ze nog iets aan de huidige, ongewenste situatie te veranderen. Ze willen uiteindelijk zegevieren, maar de ingreep is tot mislukken gedoemd.

   In de meeste verhalen is het meteen duidelijk bij welk personage het perspectief ligt. Zo zijn zeven verhalen geschreven in de derde persoon enkelvoud, waardoor de lezer het verhaal waarneemt door de ogen van de achtereenvolgens: hoogleraar Lodewijk Stern, de wielrenner Luteijn, de francofiel Guido, Hélène en Anton, de overspelige Menno, schaakmeester Jacobson en de toerist Schwab. Bij de overige drie verhalen (De muur/Vijfenveertig cent/Full-prof) is sprake van een ik-vertelsituatie.

   Bij 'Vijfenveertig cent' en 'De sloop' vindt binnen het verhaal een perspectiefverschuiving plaats. In 'Vijfenveertig cent' ligt het perspectief eerst bij de ik-persoon Serge Löschke. Halverwege het verhaal verschuift het perspectief naar zijn tegenpool Dini van de Vijver-Langeizen, die dan als ik-persoon optreedt. Bij 'De sloop' ligt het perspectief in de intro van het verhaal even bij Hélène. De rest van het verhaal kan de lezer door de ogen van de hij-persoon Anton waarnemen.

   Net als in andere boeken van Krabbé zijn ook ditmaal de verhalen sterk aan de werkelijkheid gerelateerd. Zo hebben op zijn minst drie verhalen uit de bundel een autobiografische inslag. 'Tussenlanding' is voortgekomen uit een experiment. Tijdens Krabbé's vakantie kruiste een meisje uit een supermarkt tien jaar lang zijn pad. Net als in het verhaal werkte het meisje op de slagersafdeling, zij het dat de echte plaats van handeling niet IJsland maar Frankrijk was. In een interview in HP/De Tijd (15-2-1991) zei de schrijver hierover: "Je groet elkaar en glimlacht, jaar na jaar. Op een gegeven moment ben ik daar weer naartoe gegaan met het doel haar te versieren om dat dan vervolgens voor een verhaal te gebruiken. Dat zat duidelijk in m'n achterhoofd. Het is beide gelukt."

   Het enerverende gokkersleven zoals beschreven in 'Full-prof' heeft Krabbé aan den lijve ondervonden. Jaren geleden bekende hij aan interviewster Yvonne Kroonenberg dat hij een systeemspeler is geweest. In Las Vegas kwam Krabbé in aanraking met Black Jack. In dit Amerikaanse gok-Eldorado zag hij een aantal boeken waarin systemen voor dit kaartspel beschreven stonden. Krabbé raakte er dermate door gefascineerd dat hij zich aan het kaartspel waagde. Al spoedig merkte hij wat voor verslavende werking er van Black Jack uitging. Daarnaast ondervond hij dat er vaak kwade ogen op hem gericht waren. Regelmatig kreeg hij lelijke opmerkingen naar zijn hoofd geslingerd. Want net als de hoofdpersoon uit 'Full-prof' beschouwden de mensen aan de speeltafel hem als een idioot: "In het basissysteem zit een aantal strategische beslissingen die tegen je gezonde verstand ingaan, dus je medespelers schelden je verschrikkelijk uit, omdat ze denken dat jij alles met je stomme spel bederft. Je kunt een systeemspeler herkennen aan het feit dat hij wordt uitgescholden door de andere spelers." (Haagse Post, 9-6-1984) Ondanks de onbeschoftheden van zijn tafelgenoten en de verslavende werking van Black Jack ging Krabbé door met gokken. Pas toen hij meende dat hij werkelijk verloor, hield hij het spel voor gezien.

   Ook 'Meester Jacobson' berust op een ware gebeurtenis. Na afloop van een lezing op een school werd Krabbé eens benaderd door een jongetje. Hij stelde de schrijver de vraag of hij interesse had in correspondentieschaak. Krabbé voelde er wel iets voor en stemde toe. Maar hij kreeg al snel genoeg van de partij, omdat de jongen elke keer veel te lang over zijn zet deed. Uiteindelijk was de correspondentie slechts een kort leven beschoren, want de schaakpartij bloeide na vier zetten dood (de Volkskrant, 15-2-1991).

Vragen

1) In Krabbé's boeken komt nogal eens het woord 'heilig' voor. Dat geldt ook voor deze bundel. Zo wekt in het eerste verhaal de aanwezigheid van Basje in Siena bij Lodewijk een zeker gevoel van verbondenheid op. Op pagina 13 merkt hij op: "Ze waren lotgenoten. Twee pelgrims in een heilige stad." En in 'Meester Jacobson' is de gelijknamige schaker diep teleurgesteld over de ontvangst op zijn oude school. Even overweegt hij te vertrekken: "Dit was heilige grond - Peltz had hier geschaakt; bij het raam aan de binnenplaats had Jacobson zijn onvergetelijke partij van hem gewonnen." (p. 136) Verklaar in beide contexten de betekenis van het woord 'heilig'.