Tim Krabbé                                  
 
 

 

 

 

 

 

 


 

Biografie

jeugd

   Hans Maarten Timotheus -roepnaam Tim- Krabbé kwam in het midden van de Tweede Wereldoorlog ter wereld. Als eerste zoon van Maarten Krabbé en Margreet Reiss zag hij op dinsdag 13 april 1943 te Amsterdam het levenslicht. Het huwelijk van zijn ouders was gemengd: zijn moeder was joods; zijn vader niet. Indertijd waren er verordeningen die bepaalden dat joden die met een Ariër waren getrouwd, van deportatie naar één van de vele concentratiekampen gevrijwaard bleven als er uit hun gemengde huwelijk een kind was geboren. Tim Krabbé heeft in interviews (onder meer Playboy, april 1994 en De Gelderlander, 13-11-1997) wel eens gekscherend gezegd dat hij zijn leven aan Hitler te danken heeft. Zijn geboorte nam zijn joodse moeder namelijk in bescherming. Ondanks het feit dat Krabbé dus een oorlogskind is, speelde dit tijdvak noch zijn half-joodse identiteit naar eigen zeggen geen beduidende rol in zijn verdere leven (De Gelderlander, 13-11-1997).

   Het gezin Krabbé was een artistiek gezin. Vader Maarten was -evenals zijn vader- kunstschilder; moeder Margreet vertaalde films en verwierf later bekendheid als schrijfster van kinderboeken. In Cosmopolitan (februari 1986) omschreef Tim zijn vader, op wie hij lijkt, als "een compromisloze individualist". Hij was een eigenzinnige man die het moeilijk kon verkroppen dat zijn vrouw naast het huishouden de kost verdiende. Zijn kwaliteiten als kunstschilder werden door tijdgenoten -ten onrechte overigens- weinig onderkend. Met het onderwijs kwam hij door de tanende tekenprestaties van zijn zonen in aanraking. Het was hem een doorn in het oog dat ze steeds saaier begonnen te tekenen. Hij achtte de lagere school hiervoor verantwoordelijk, omdat zij niet in staat was de creativiteit van de kinderen te stimuleren. Woedend als hij was ontwikkelde hij een eigen methode en hij werd prompt aangenomen als tekenonderwijzer om zijn leerplan op de Kohnstammschool te toetsen.

   Ondertussen verslechterde het huwelijk van Tims ouders geleidelijk en de verbintenis liep uiteindelijk in 1956 op de klippen. Na de scheiding bleef de dertienjarige Tim met zijn twintig maanden jongere broer Jeroen bij moeder Margreet. Zijn vader hertrouwde met Heleen Verschuur, uit welk huwelijk zoon Mirko is geboren.

geldingsdrang

   "Het jarenlang najagen van iets is mij niet vreemd." (HP/De Tijd, 15-2-1991) Dit citaat typeert Krabbé's karakter ten voeten uit. Krabbé is namelijk een gedreven man die door van alles en nog wat geobsedeerd kan zijn. Al op zeer jonge leeftijd kwamen deze eigenschappen in Tims karakter naar voren. Indertijd ontwikkelde hij een ruime belangstelling voor uiteenlopende zaken. Zo was hij dol op cijfers, voetballen, wielrennen en schaken. En bij al deze interesses kwam voortdurend de ambitie om uit te blinken om de hoek kijken.

   Reeds als peuter van zo een jaar of drie kon Tim urenlang achter de typemachine van zijn ouders zoekbrengen door ellenlange reeksen cijfers op papier te zetten. Aan het slot van de roman 'De Renner' zegt hij hierover: "Ik tikte alle getallen. Ik begon bij 1 en zo steeds hoger. Ieder getal was hoger dan het vorige. Mijn leven was een doorlopende recordverbetering."

   Toen Tim wat groter werd, hield hij ervan een balletje te trappen. Rond zijn tiende levensjaar raakte hij onder de indruk van de wielrennerij. Dat kwam in de eerste plaats door de Nederlanders, die tijdens de Tour de France van 1953 verrassend goede prestaties leverden. Daarnaast oefende radioverslaggever Jan Cottaar een fascinerende werking op de jeugdige Krabbé uit. De enthousiaste Cottaar wist de jongen namelijk door zijn fantastische reportage geheel mee te slepen. Een jaar later kwam Tim met schaken in aanraking, een denksport waaraan hij voorgoed verslaafd raakte. En de laatste jaren heeft Krabbé zijn hart verpand aan computers. Samen met zijn zoon Esra (geboren uit het -inmiddels ontbonden- huwelijk met actrice Liz Snoijink) heeft Krabbé in het begin van 1998 zelfs een eigen Internet-site geopend (www.xs4all.nl/~timkr).

   De wortels van deze geldingsdrang vinden hun oorsprong in Krabbé's opvoeding. Van kind af aan behandelde de familie Tim alsof hij een soort genie was. Vooral zijn eigenzinnige vader droeg hier een belangrijk steentje aan bij. Hij noemde zijn stamhouder namelijk een "aristocraat". In zijn ogen was de jonge Tim een koningskind, wiens kostje al gekocht was. Tot op de dag van vandaag neemt Krabbé het zijn vader in zekere zin kwalijk dat hij hem "een bepaald soort intelligentie" heeft onthouden, te weten "het vermogen de dingen in hun juiste proportie te zien." (Haagse Post, 9-6-1984)

schaker

   Door de voortdurende behoefte de beste te zijn, streefde Tim er steeds naar de top te bereiken. Toch zag hij al gauw in dat dat op sommige terreinen niet voor hem was weggelegd. Op zijn zestiende stopte hij met voetballen en in dezelfde periode meende Krabbé dat de titel schaakgrootmeester onbereikbaar was. Hij was er namelijk stellig van overtuigd dat het hem aan het nodige talent ontbrak. Toch heeft hij op schaakgebied geen onverdienstelijke rol gespeeld. In 1967 won hij tijdens de eerste ronde van het Nederlands Kampioenschap de partij tegen schaakgrootmeester Jan-Hein Donner. En eind jaren zestig, begin jaren zeventig nam hij zelfs de vijftiende plaats in de Nederlandse schaaktop-twintig in.

   Natuurlijk zijn ook Krabbé's publicaties op schaakgebied niet te verwaarlozen. Zo verschijnen er sinds zijn twintigste levensjaar regelmatig artikelen van zijn hand in verschillende tijdschriften. Samen met Jan Timman en Alexander Münninghof schreef hij in 1972 een biografie over Bobby Fischer, de jongste Amerikaanse schaakkampioen aller tijden én het grote voorbeeld voor Krabbé. En in 1985 stelde Krabbé een grotendeels technisch Engelstalig schaakboek samen.

   Ook het jarenlang verzamelen van allerlei aantekeningen afkomstig uit internationale schaaktijdschriften heeft zijn vruchten afgeworpen. Die verzameling mondde uit in een omvangrijk gerubriceerd archief, waaruit Krabbé rijkelijk kon putten tijdens het schrijven van zijn 'kuriosa'. In 1974 verscheen 'Schaakkuriosa', drie jaar later op de voet gevolgd door 'Nieuwe Schaakkuriosa'. Beide boeken tonen aan dat Krabbé in het schrijven van schaakliteratuur een eigen genre heeft gecreëerd. In dit dossier komen deze schaakboeken echter niet aan de orde, omdat ze van weinig 'literaire' waarde zijn.

componeren

   In 1986 verscheen 'De man die de Babson task wilde maken'. Dit boekje gaat over de jarenlange -tevergeefse- poging van de Fransman Drumare om een onmogelijk geacht schaakprobleem te componeren. Motieven als ambitie, strijdlust, verslaving en obsessie komen hierbij om de hoek kijken.

   Het componeren van schaakproblemen heeft nauwelijks iets met normaal schaken uit te staan. Het geschiedt voornamelijk uit schoonheidsoverwegingen. De componist formuleert op het schaakbord allerhande mooie gebeurtenissen in een stelling, die aan een aantal regels moet voldoen. De wet van de economie speelt bij het oplossingsverloop een grote rol. Het probleem moet namelijk binnen een aantal beperkingen (zoals tijd en materie) een oplossing krijgen.

   Toen Krabbé het boekje schreef, kon hij uit eigen ervaring putten. Midden jaren zeventig was hij namelijk zelf een autoriteit op het gebied van de Dolle Toren: "In de tijd dat ik me met de Dolle Toren bezighield -een hartstocht die als een zacht gif alle hoeken van mijn bewustzijn binnensijpelde- liep ik eens over de Albert Cuypmarkt. Daar liepen ook duizenden andere mensen. Ik bedacht dan dat het probleem van de D.T. voor geen enkele van die duizenden mensen ook maar de geringste betekenis had of ooit zou hebben. Ik zei dan tegen mezelf: Nou en. Ik wist immers zeker dat één enkele ontdekking aangaande de D.T. meer eeuwige waarde heeft dan een pond appels, Albert Cuyp en de hele wereldliteratuur samen." (De Morgen, 30-4-1987)

   Het componeren van schaakproblemen bleek verslavender dan gewoon schaken. De Dolle Toren slokte zoveel tijd op dat Krabbé steeds meer afgesneden van de wereld raakte. Uiteindelijk zei hij de Dolle Toren dan ook vaarwel, alle inspanningen ten spijt.

wielrenner

   "Wielrennen is zonder enige twijfel de mooiste sport die ik ken, en schaken het mooiste spel." (Het Binnenhof, 7-3-1992) Begin jaren zeventig zette Krabbé voorgoed een punt achter wedstrijdschaken. Korte tijd later probeerde hij zijn geluk op een ander terrein te beproeven: wielrennen.

   Ondanks zijn vroege liefde voor de wielrennerij is Krabbé pas rond zijn dertigste levensjaar daadwerkelijk op de racefiets gestapt. Vastbesloten om er het beste van te maken, besloot Krabbé er van de ene op de andere dag een gezonder leefpatroon op na te houden. Hij stopte met roken, ging op tijd naar bed en zelfs alcohol moest eraan geloven, terwijl Krabbé vóór die tijd toch een regelmatige café-bezoeker was. Dit besluit noemde hij achteraf "de grootste overgang" in zijn leven. (HP/De Tijd, 15-2-1991)

   Verbeten als hij was probeerde Krabbé eruit te halen wat erin zat. Toch was het hem wederom spoedig duidelijk dat hij ook in de wielrennerij nooit de top zou bereiken, louter omdat hij er té laat mee begonnen was: "Je kiest dus een eigen wereldje waarin je dan wèl de top kunt halen. Weliswaar zevenentwintig niveaus onder de wereldklasse, maar in ieder geval kon ik in die wedstrijden dromen dat ik de grote klassiekers aan het rijden was, en ik won ze nog ook." (De Tijd, 5-9-1986)

   Toen Krabbé in 1980 de racefiets definitief aan de wilgen hing, had hij gedurende acht seizoenen aan vijfhonderd negenentachtig wedstrijden deelgenomen. Van al die koersen won hij er acht.

schrijver

   Als jong meisje droomde moeder Margreet ervan dat ze een zoon zou krijgen die schrijver of acteur zou worden. Ze kon toentertijd niet bevroeden dat haar wens jaren later dubbel in vervulling zou gaan.

   Ondanks het feit dat hij magere opstellen schreef, wist Tim vanaf zijn veertiende levensjaar dat hij van de pen wilde leven. Veel belangstelling voor literatuur had hij toen nog niet, maar het schrijverschap was voor de tiener dé meest geschikte manier om zich van anderen te onderscheiden. In Haagse Post (9-6-1984) zei Krabbé hierover: "Ik heb een enorme geldingsdrang. Ik vind het overigens een legitieme manier om een carrière te beginnen. Er wordt in het algemeen ontwijkend gedaan over geldingsdrang. Ik wil graag beroemd zijn. Ik ben heel gemakkelijk in het toegeven van gevoelens die men laag bij de grond noemt."

   Krabbé publiceerde zijn eerste pennenvruchten in de schoolkrant. Na de middelbare school (HBS-B aan het Amsterdamse Spinoza Lyceum) ging hij in 1960 aan de Universiteit van Amsterdam psychologie studeren, louter omdat die studie slechts vijftien uur college per week had. In zijn 'vrije' tijd kon Krabbé dan ook ongegeneerd in het schaakcafé zitten óf schrijven. Tijdens zijn studententijd bood hij zijn eerste roman aan een uitgever aan. Dat manuscript werd geweigerd, evenals Krabbé's tweede werk dat hij rond zijn twintigste levensjaar schreef. Aangezien driemaal scheepsrecht is probeerde hij het nog een keer en ditmaal was het raak.

   In 1967 verscheen 'De werkelijke moord op Kitty Duisenberg' bij uitgeverij Born. Dit boek, dat Krabbé in de Provo-tijd schreef, viel bij de jury van de Reina Prinsen Geerligsprijs in de smaak. Zij noemde Krabbé's debuut een "psychologische thriller", een predikaat wat hem een eervolle vermelding opleverde. Net als Krabbé's tweede boek 'Flanagan, of Het einde van een beest' (1970) draait het in 'De werkelijke moord op Kitty Duisenberg' om broers die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Deze fictieve rivaliserende relaties zijn geschoeid op een autobiografische leest. Ook al hangt Krabbé zijn eigen relatie met broer Jeroen niet graag aan de grote klok, toch maakt hij er geen geheim van dat deze verhouding model heeft gestaan in zijn eerste twee boeken. In 1991 zei hij hierover: "Voor mijn verhalen is mijn verhouding met Jeroen geen taboe. In verhalen geef ik mij bloot, daarin ben ik een sitting duck. Maar dan hopelijk wel vermomd. Ik denk overigens dat ik erover uitgeschreven ben. Mijn eerste twee boeken gingen heel sterk over broers. Later heb ik daar nooit meer over geschreven. Bij Flanagan, of het einde van een beest was het me heel duidelijk dat het over mijn relatie met m'n broer ging. Evenals bij Kitty Duisenberg. Beide boeken heb ik voor m'n 26ste geschreven. Misschien heb ik dat verwerkt. Aan de andere kant is een mislukte verhouding met je enige broer een tamelijk emotioneel iets en misschien wel een te groot onderwerp om voor fictie te gebruiken. (...) Het is een mislukte verhouding met een uitermate belangrijk iemand in mijn leven. Een paar jaar geleden had ik een droom waarin Jeroen en ik cowboys waren in een klein stadje en dat ik tegen hem riep: 'This town ain't big enough for both of us, Charlie.'" (HP/De Tijd, 15-2-1991)

   Na het schrijven en publiceren van 'De werkelijke moord op Kitty Duisenberg' en 'Flanagan, of Het einde van een beest' heeft Krabbé voorgoed afgedaan met het thema van de concurrerende broers. Dat onderwerp komt in latere boeken namelijk niet meer ter sprake. Het wedijver-motief én het thema van de onmogelijke liefde blijken echter terugkerende ingrediënten in Krabbé's werk te zijn.

   In 1973 verscheen 'Vijftien goede gedichten'. Zes van deze vijftien gedichten verschenen eerder onder het pseudoniem 'rabbé' in het tijdschrift 'Propria Cures'. De overige negen verzen zagen in de bundel voor het eerst het levenslicht. In de goed toegankelijke gedichten komen enkele typische Krabbé-kenmerken voor, zoals bezetenheid ('Ode aan Flip'), geldingsdrang ('Triomf' (1/2)), cijfers/kansberekening ('Finale') en wielrennen ('Daar waar ik kom'). Opvallend is ook het speelse taalgebruik van onder meer 'Filmisch gedicht' en het expressionistische karakter van bijvoorbeeld 'Combinatie', een vers dat qua bladspiegel enigszins doet denken aan de gedichten van Paul van Ostaijen (1896-1928).

   Drie jaar na het verschijnen van 'Red Desert Penitentiary' (1975) brak Krabbé definitief door in de Nederlandse literatuur. Er verschenen in 1978 maar liefst twee boeken van zijn hand: 'De Renner' en 'De Stad in het Midden'. Achteraf gezien betekende 1978 in Krabbé's schrijverschap tevens een cruciaal scheidingsjaar tussen minder geslaagde en betere boeken. Over zijn vier eerstelingen schaamt Krabbé zich tegenwoordig namelijk een beetje. In De Tijd (5-9-1986) zei hij hierover: "Mijn eerste boeken vind ik achteraf ontzettend slecht geschreven. Al het werk dat ik geschreven heb vóór 1978, is voor mij eigenlijk niet houdbaar. Het herlezen van die boeken was ook een behoorlijke desillusie. Evenals mijn dagboeken: die zijn pijnlijk oninteressant."

   Na het uitkomen van de sportroman en de verhalenbundel ontstond er plotseling een stilte rond Krabbé. Met uitzondering van 'Vier wielerverhalen' (een werkje dat in juni/juli 1980 ter gelegenheid van de tentoonstelling 'Tour de France Rotterdam' verscheen en in dit dossier niet behandeld wordt) publiceerde hij zes jaar lang geen boek. Pas in 1984 liet Krabbé weer dubbel en dwars van zich horen. In dat jaar kwamen wederom twee boeken op de markt: de bundel '43 wielerverhalen' en de roman 'Het Gouden Ei'. In dit laatste boek keert een belangrijk thema uit Krabbé's debuut terug, namelijk 'de onverenigbaarheid van twee geliefden tijdens hun leven'. De schrijver gaat er vanuit dat grote liefdes elkaar alleen in de dood kunnen vinden. Door deze opvatting is 'Het Gouden Ei' zowel een spannend, intrigerend als macaber boek geworden. Dit is één van de redenen (de omvang van het boek zal beslist ook een beduidende rol spelen) waarom de novelle het meest gelezen boek is door scholieren voor hun leeslijst. Deze uitverkoren positie leverde Krabbé in september 1993 de 'Diepzeeprijs' op, een onderscheiding waarmee de schrijver redelijk in zijn sas was: "Mijn eerste en enige prijs. Maar die Diepzeeprijs is toch meer iets in de orde van een gouden plaat. Ik moet mijn eerste literaire prijs nog krijgen." (Vrij Nederland, 18-6-1994)

   Na het publiceren van het schaakessay 'De man die de Babson task wilde maken' (1986) werd het wederom stil rond de schrijver. Toch rustte hij niet op zijn lauweren. In die tijd schreef Krabbé namelijk een aantal verhalen die hij in tijdschriften als 'De Tweede Ronde', 'Intermagazine', 'Playboy' en 'Zero' publiceerde. Samen met 'Meester Jacobson' bracht hij negen van deze verhalen in 1991 onder de titel 'De Matador' op de markt. Net als in het schaakessay spelen ook in deze bundel obsessies een belangrijke rol, want alle personages zijn op de een of andere manier van iets of iemand bezeten.

   In de roman 'Vertraging', die in 1994 uitkwam, werkte Krabbé voor de derde maal het thema van de onmogelijke liefde uit. Net als in 'De werkelijke moord op Kitty Duisenberg' en 'Het Gouden Ei' zijn ook Jacques Bekker en Moniek Ilegems uit 'Vertraging' tijdens hun leven niet tot de gewenste eenwording in staat.

   Dat geldt ook voor Egon Wagter en Marjoke Heffels uit 'De grot'. Na de verhalenbundels 'De Paardentekenaar' (1995) en 'De Verdwenen Verdwijning' (1996) laat Krabbé in deze roman uit 1997 voor de vierde maal zien dat werkelijke liefde tussen aardse wezens tijdens hun leven onmogelijk is. De ultieme liefde is alleen mogelijk in het hiernamaals.

invloeden

   Tim Krabbé heeft twee bekende schrijvers als voorbeeld met wie hij zich in zekere mate verwant voelde. De ene was Willem Frederik Hermans (1921-1995), wiens werk Krabbé tot circa 1966 (het verschijningsjaar van 'Nooit meer slapen') bewonderde. Vooral Hermans' meesterlijke schrijfstijl trok hem aan: "In heldere, beeldende taal spannende verhalen vertellen, waarvan je zeker weet dat ze diepgang bevatten. Dat is wat ik óók wil. De oppervlakte moet boeiend zijn, en tegelijkertijd een vermoeden meegeven van diepte. Goeie literatuur heeft altijd allebei nodig. Maar ik heb meer respect voor mooie oppervlakten zonder diepte, dan voor mooie diepten zonder oppervlakte. Mijn credo is: ik moet het gevoel hebben dat ik iets belangrijks heb gezegd. Wat precies doet er niet zoveel toe, als ik dat gevoel maar heb." (Vrij Nederland, 18-6-1994)

   De tweede schrijver door wie Krabbé zich liet inspireren was de Amerikaanse Rus Vladimir Nabokov (1899-1977). In zijn werk draait het vaak om de grilligheid van het menselijk lot, de ondoordringbaarheid van het verleden en driehoeksverhoudingen. Ook het dubbelgangers- en identiteitsmotief keren regelmatig terug. In principe is Nabokov de enige auteur met wie Krabbé zich kon vereenzelvigen. Net als Krabbé was Nabokov schrijver én componist. In HP/De Tijd (31-10-1997) vergeleek Krabbé zichzelf met deze auteur: "Als je mijn werk thrillers noemt, dan schreef Nabokov ook thrillers. Zijn verhalen zitten ongelooflijk ingenieus in elkaar en geven het totale beeld op een volstrekt onverwacht moment prijs. Daar ben ik zeer van onder de indruk. Die man schreef romans die qua structuur heel erg met de mijne zijn te vergelijken."

werkwijze

   Sinds zijn debuut in 1967 tot en met het verschijnen van 'De grot' heeft Krabbé zestien literaire werken op zijn naam staan. Afgaande op dit relatief geringe aantal titels, waarvan de meeste boeken ook nog eens overwegend dun van omvang zijn, zou men mogen concluderen dat Krabbé geen veelschrijver is. In Vrij Nederland (18-6-1994) noemde Krabbé zichzelf "een verbeteraar" die "moeizaam" schrijft: "Ik vind: je hebt de plicht om er telkens weer voor te gaan zitten alsof je aan je definitieve boek schrijft. Dat is natuurlijk een erg gewichtige manier om te zeggen dat ik mijn best doe. Het is gewoon zoeken en schaven en als een dompteur met die zinnen bezig zijn tot ze op hun tonnetje zitten. Je moet elke keer je eigen hoogste niveau halen. Daarin mag je niet falen."

   Krabbé is dus een tobberige perfectionist die voortdurend probeert de kwaliteit van zijn laatste boek te overtreffen. Aangezien geen mens onfeilbaar is, is het niet verwonderlijk dat ook Krabbé wel eens in zijn opzet mislukt. Naar eigen zeggen staan er thuis dan ook "kasten vol met geaborteerde romans." (HP/De Tijd, 15-2-1991)

   Aan interviewer Henri de By (HP/De tijd, 15-2-1991) beschreef Krabbé een dag uit zijn schrijversleven: "Als ik schrijf, begin ik tamelijk vroeg en ga vaak door tot ik in slaap val. Tussendoor loop je dan verdroomd boodschappen te doen. Eten stel ik zo lang mogelijk uit, vaak ga ik pas om half twaalf koken. Misschien is dat wel het ideale jongensleven. Ik streef naar het kluizenaarschap. Het gaat me daarbij om de volledige concentratie. Ik ken dat behalve van het schrijven ook van andere bezigheden, zoals het componeren van schaakproblemen. De kern dat je dat bereikt, zijn perioden van exaltatie en extase. Volkomen one-track minded kunnen zijn, is zeer vruchtbaar. Maar een boek geschreven hebben, is nog veel leuker dan een boek schrijven. Het ontstaan van een idee voor een verhaal duurt bij mij over het algemeen niet langer dan één minuut. Je wordt heel snel enthousiast voor iets dat je wil maken, maar daarna ben je er tienduizend keer zolang mee bezig. Ik ben dan ook een echte tobber."

   Dit citaat bevat een aantal wezenlijke kenmerken van het schrijfproces die voor nagenoeg iedere auteur opgaan. Zo is er in de eerste plaats de fase waarin een schrijver zijn onderwerp bedenkt.

   Een idee of thema voor een boek heeft Krabbé meestal zo gevonden. Hij stapt namelijk als een notulist door het dagelijkse leven. Hij registreert opmerkelijke voorvallen die hij thuis in zijn computer opslaat. Naast authentieke gebeurtenissen legt Krabbé ook zijn dromen op de harde schijf vast. Volgens de schrijver lenen dromen zich uitstekend voor literatuur, omdat de mens in zijn dromen dingen met elkaar in verband brengt die hij in werkelijkheid nooit met elkaar in verband zou brengen (HP/De Tijd, 31-10-1997). Zowel 'Red Desert Penitentiary' als 'Het Gouden Ei' zijn gedeeltelijk op een nachtmerrie gebaseerd.

   Na het vaststellen van het onderwerp volgt de fase waarin het verhaal daadwerkelijk geschreven wordt. Tijdens het schrijven probeert Krabbé zo weinig mogelijk aan zijn thema te denken. Hij is van mening dat er "verschraling" optreedt als het thema voortdurend in je gedachten aanwezig is: "Dan maak je van je personages themakoelies. Ik probeer naïef te blijven tegenover het verhaal. Je moet erop vertrouwen dat het er wel in zit." (Vrij Nederland, 18-6-1994)

   Het doel waarnaar Krabbé streeft is "een goed verhaal zo goed mogelijk vertellen." (De Telegraaf, 1-11-1997) "De lust tot creëren" staat bij hem dus hoog in het vaandel (De Gelderlander, 13-11-1997). Tijdens dit scheppingsproces krijgt vooral de opbouw van het verhaal de nodige aandacht: "Het gaat mij louter om de schoonheid van de constructie." (De Gelderlander, 13-11-1997)

   De eerste versie van het verhaal schrijft Krabbé vrij snel op. Naar eigen zeggen is die versie "absoluut onleesbaar." (Haagse Post, 9-6-1984) Pas daarna begint het echte schrijfwerk -of beter gezegd: herschrijfwerk-. In deze fase leest en beoordeelt Krabbé zijn eigen werk alsof het van een ander is: "Ik behandel wat ik schrijf als het opstel van een neefje waar iets behoorlijks van gemaakt moet worden." (Haagse Post, 9-6-1984)

   Zo zei Krabbé in De Gelderlander (13-11-1997) dat het ontstaan van 'De grot' tweeëneenhalf jaar in beslag heeft genomen. Over het schrijven van de eerste versie heeft Krabbé hooguit een maand gedaan. De meeste tijd is gaan zitten in het herschrijven. De tekst voortdurend bijschaven om steeds dichter tot de kern te komen.

   Krabbé probeert een verhaal altijd zo economisch mogelijk te vertellen. Bij deze voorkeur voor kortheid spookt voortdurend het basisprincipe van schaakcomposities door zijn achterhoofd: "Je moet een idee met het minst mogelijke materiaal zien terug te brengen tot de meest artistieke vorm." (HP/De Tijd, 31-10-1997)

   Ook al gaat Krabbé dus uit van een zekere verwantschap tussen schrijven en schaakcomposities, toch biedt die vermeende overeenkomst niet altijd een eenduidig houvast: "Een schaakprobleem moet aan simpele, duidelijk gedefinieerde wetten voldoen. Verhalen hoeven nergens aan te voldoen, dat maakt het zo moeilijk, dat maakt het zo eng. Bij een schaakprobleem weet je wanneer het af is, in een verhaal kun je altijd wat veranderen." (Playboy, april 1994)

   Om een kort -maar krachtig- verhaal te creëren, moet Krabbé regelmatig schrappen. Hij streeft naar een helder thema dat de basis is voor het beperkte aantal zetten dat de schrijver doet: "Met zo weinig mogelijk woorden moet je beeldend en krachtig zeggen wat je te zeggen hebt. Vandaar dat mijn boeken zo dun zijn." (De Standaard, 15-1-1998)

   En dat die dunheid een kenmerk van Krabbé's oeuvre is geworden, is elke ingewijde inmiddels bekend. Zo verwelkomde Gerrit Komrij een dun pakketje dat hij eens in Portugal mocht ontvangen, met de woorden: "Dat zal het verzameld werk van Tim Krabbé wel zijn." (HP/De Tijd, 15-2-1991)

verfilmingen

   In zijn boek 'Red Desert Penitentiary' beschrijft Krabbé onder meer de verbolgenheid en teleurstelling van James Cagan. Deze oudere man is kwaad op scenarioschrijver Chet, omdat hij bij de verfilming van Gagans autobiografische roman de inhoud van dit oorspronkelijke boek links laat liggen. Indertijd kon schrijver Krabbé niet bevroeden dat de toekomst voor hemzelf een soortgelijk lot in petto had.

   Krabbé hanteert in zijn boeken vaak een filmische manier van schrijven die, naar eigen zeggen, onbewust tot stand komt: "Het gaat vanzelf, zo schrijf ik nu eenmaal. Ik acteer soms scènes om een bepaald gebaar beter te kunnen vinden. Als er niemand bij is, kan ik erg goed acteren." (Vrij Nederland, 18-6-1994) Kenmerkend voor die filmische manier van schrijven is de beeldende en rake stijl. Een aantal van zijn boeken is dan ook daadwerkelijk verfilmd, zoals 'Flanagan' (1975; regie Adriaan Ditvoorst) en 'De Paardentekenaar' (1983; regie Thijs Chanowski).

   Begin oktober 1993 ging 'The vanishing' in Nederland in première. Afgaande op de titelrol was deze film onder regie van George Sluizer gebaseerd op Krabbé's roman 'Het Gouden Ei'. De schrijver was echter zeer ontdaan over deze Hollywood-produktie die hij "een wanprodukt" noemde. (NRC Handelsblad, 1-10-1993)

   In het verleden ging Sluizer al vaker met Krabbé in zee. Zo regisseerde hij in 1984 'Red Desert Penitentiary'. Vier jaar later was de film 'Spoorloos' gereed, de Nederlandse bewerking van 'Het Gouden Ei'. Over die produktie was Krabbé indertijd nog wel te spreken, al verliep de samenwerking toen ook al niet geheel vlekkeloos. Voordat die film goed en wel in roulatie ging, waren er namelijk de nodige stribbelingen aan vooraf gegaan. Zo keurde Sluizer, die toch laaiend enthousiast over het originele boek was, het scenario van Krabbé af. De schrijver ging akkoord met een bewerking van zijn script en stak de loftrompet af over het eindresultaat: "Het blijft heel knap van Sluizer dat hij mijn verhaal, dat ik zo strak mogelijk heb verteld, vertelt op een manier die echt de zijne is, terwijl het toch mijn verhaal blijft." (Het Parool, 6-2-1993)

   Bij 'The vanishing' trokken de makers zich weinig van Krabbé's verhaal aan. Producent Larry Brezner nam de populaire scenario-schrijver Tod Graf in de arm, die uiteindelijk verantwoordelijk werd voor de drastische veranderingen. Zogenaamd bracht hij wat meer pyschologische diepgang aan en wijzigde hij het lugubere einde in een 'en-ze-leven-nog-lang-en-gelukkig-slot.'

   Ondanks het feit dat Krabbé verontwaardigd was over de remake, hoopte hij toch dat de film een kassucces zou worden. Uit eigenbelang wel te verstaan. Dankzij deze Amerikaanse produktie kwamen er namelijk diverse buitenlandse vertalingen (onder meer in het Engels, Frans, Duits en Zweeds) van 'Het Gouden Ei' op de markt: "Hoe groter het succes van The vanishing, hoe meer boeken ik verkoop." (Het Parool, 6-2-1993)

   Twee jaar later deed zich een soortgelijk akkefietje voor. Producent/regisseur Erik Fransman had reeds in 1993 het plan opgevat om Krabbé's boek 'Vertraging' te gaan verfilmen. In de zomer van 1995 vond Krabbé echter dat het schrijven van het script té lang op zich liet wachten. Bovendien was Krabbé ontevreden over de inhoud van het voorlopige scenario. Volgens hem deed dat absoluut geen recht aan zijn verhaal. Fransman had er namelijk meer dialogen ingebracht, veranderingen doorgevoerd om diverse ongeloofwaardigheden weg te halen en het einde drastisch omgegooid. Bij hem overleed niet Moniek, maar legde Jacques het loodje. Voor Krabbé was de maat vol en hij zegde het contract met Fransman eenzijdig op. De regisseur liet het er niet bij zitten. In augustus 1995 spande Fransman een kortgeding tegen Krabbé aan, wat eerstgenoemde verloor.

thriller versus literatuur

   "Ik heb niks te maken met thrillers. Dat genre vind ik totaal oninteressant." Deze krasse uitspraak deed Krabbé in De Gelderlander (13-11-1997) naar aanleiding van het verschijnen van 'De grot'.

   Al jaren probeert de schrijver recenserend Nederland duidelijk te maken dat zijn boeken niet tot de categorie thrillers gerekend mogen worden. Tevergeefs, want de meerderheid van de boekbesprekers heeft er geen oren naar. Voor haar schijnt een boek met duidelijk literaire kwaliteiten doch met een ontegenzeglijk spannende ondertoon het synoniem te zijn voor thriller. En in haar ogen zijn thrillers boeken zonder diepte die het etiket literatuur niet waardig zijn. Keer op keer verwijt de literaire kritiek Krabbé dan ook dat zijn boeken oppervlakkig zijn.

   Toch streeft Krabbé er voortdurend naar om een goed bedacht verhaal zo goed mogelijk te vertellen: "Ik bedenk in de eerste plaats een verhaal dat me boeit. Als ik merk dat onder die oppervlakte interessante dingen zitten, is dat voor mij een aansporing ermee door te gaan. Het moet een boodschap hebben, een betekenis, maar het kan mij niet schelen of die overkomt. Het gaat mij er alleen om dat ze erin zitten. Zoals God de aarde schiep en zorgde dat alles erin zat, maar of het allemaal ooit zal worden ontdekt? Ja, zo is het wel, dat matig ik me wel aan. Als er geen diepte in zit, dan is het geen goed verhaal, maar ik hoef ook niet precies te weten wat die diepte is. Een kunstenaar moet niet te veel van zijn eigen werk begrijpen." (De Tijd, 5-9-1986)

   Eigenlijk is de misvatting van de recensenten wel enigszins te begrijpen. Krabbé begon zijn loopbaan als schrijver namelijk bij Born, een uitgever die voornamelijk thrillers uitgaf. Indertijd deed het Krabbé nog oprecht deugd dat critici zijn werk als 'spannend' omschreven: "Ik ben zelf in m'n opzet als schrijver geslaagd, omdat men mij niet in de eerste plaats als literair schrijver ziet. Dat zou ik nooit willen." (NRC en Handelsblad, 15-5-1971) Zelfs jaren later was Krabbé er in zekere zin trots op dat juist uitgeverij Born zijn eersteling op de markt had gebracht: "Het paste wel bij mijn opvatting over literatuur. Wat ik wel op prijs stelde, was het gebrek aan pretentie, de nadruk die er werd gelegd op vertellerschap. Gerben Hellinga zat er ook. Dat was een voorbeeld voor me." (Playboy, april 1994) Net als Hellinga probeerde Krabbé aan zijn spannende boeken altijd een meerwaarde te geven. Zijn toenmalige credo was: "Ik ben een heel erg diep iemand dus komen er vanzelf diepe dingen in wat ik schrijf." (Playboy, april 1994)

   Ondanks alle goede intenties van Krabbé hadden veel critici toch moeite deze opvatting te onderkennen. Hierdoor kreeg de schrijver ten onrechte een label omgehangen: "In de Nederlandse literatuurkritiek bestaat geen waardering voor het goede verhaal. De critici kijken of er wel genoeg lagen zijn. De lagenziekte heerst in Nederland! (...) Ik denk dat de lagen vanzelf komen als het verhaal goed is. Een boek met alleen maar diepte is net zo vervelend als iets dat alleen maar oppervlakte heeft. Het misverstand heerst dat een boek met oppervlakte oppervlakkig is. Alles wat de moeite waard is om op papier gezegd te worden, kan gezegd worden in het kader van een goed gestructueerd verhaal." (Haagse Post, 9-6-1984)

weigering subsidie

   Als je in Nederland als schrijver eenmaal in een hokje bent geduwd, dan kan dat verstrekkende gevolgen voor je verdere loopbaan hebben. Krabbé heeft dat aan den lijve ondervonden. In het midden van de jaren tachtig weigerde het toenmalige Fonds voor de Letteren hem namelijk subsidie te geven. Veel schrijvers doen een beroep op dit Fonds en het merendeel van de aanvragen wordt gehonoreerd. Krabbé's verzoek om met 'Het Gouden Ei' voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen, wees de adviescommissie van het Fonds echter af. Reden: de novelle zou een "te geringe literaire waarde" hebben.

   De schrijver was zowel teleurgesteld als verbolgen over deze afwijzing. Hij noemde de weigering "een flagrante misser en symptomatisch voor wat er verkeerd zit in de Nederlandse literatuur." (De Tijd, 5-9-1986) Krabbé liet het dan ook niet bij dat besluit zitten en trok ten strijde. Om aan te tonen dat 'Het Gouden Ei' wel degelijk de nodige literaire kwaliteiten bezat, leverde hij een pak met zevenentwintig -overwegend lovende- recensies in. Zijn inzet mocht echter niet baten: Krabbé verloor de zaak. De onvermurwbare commissie daarentegen werd in het gelijk gesteld: zij had de novelle aangezien voor "spannende amusementslectuur" die geen aangevuld honorarium van de regering nodig had.

Gouden Strop

   In de zomer van 1995 werd de wijn uit een geheel ander vaatje getapt. Op 22 juni van dat jaar ontving Krabbé namelijk de 'Bruna Gouden Strop'. Vrijwel unaniem besliste de jury dat de prijs ter waarde van vijfentwintigduizend gulden toekwam aan Krabbé's roman 'Vertraging'.

   Voordat de jury de nominaties bekendmaakte, keek de schrijver nog met gemengde gevoelens tegen 'De Gouden Strop' aan. Voor de zoveelste maal vreesde Krabbé dat men hem uitsluitend met 'spannende' boeken zou associëren. Toen hij vernam dat zijn roman een redelijke kans maakte, overwoog hij zelfs zich terug te trekken.

   Gelukkig zag Krabbé op tijd zijn kortstondige dwaling in. Weldra besefte hij dan ook dat juist deze onderscheiding een eervolle prijs was: "Ik voel me nu zeer vereerd. Het is totaal anders uitgepakt dan ik vreesde. De prijs werkt niet stigmatiserend maar onstigmatiserend. Het is een aardige hoeveelheid geld. Ik krijg publiciteit. De jury heeft me een officieel stempel van spannendheid gegeven en de misdaadschrijvers zelf roepen dat ik er niet bij hoor omdat ik te literair ben." (NRC Handelsblad, 23-6-1995)

   Eén van die 'echte' misdaadauteurs waarnaar Krabbé verwijst, was bijvoorbeeld Tomas Ross. Samen met zijn vakgenoten bekritiseerde hij de keuze van de jury. In zijn ogen mocht een literair werk als 'Vertraging' 'De Gouden Strop' niet ontvangen, omdat er voor literatuur bereids genoeg andere prijzen bestaan.

plaats in de Nederlandse belletrie

   Krabbé typeerde zichzelf eens als "een buitenstaander, een einzelgänger." (Cosmopolitan, februari 1986) Hij duidde met deze uitspraak op zijn sociale leven in het algemeen, maar de karakterisering gaat ook op voor zijn schrijversbestaan. Krabbé is namelijk een buitenstaander, een auteur die in de Nederlandse literatuur moeilijk te plaatsen is: "Ik ga volstrekt mijn eigen weg, ik heb altijd volstrekt buiten stromingen gestaan, ik ben maatschappelijk volstrekt irrelevant ik maak mijn dingen en men schrijft daar maar over." (HP/De Tijd, 31-10-1997)

   Op gezette tijden schrijft Krabbé een roman die bij een breed publiek gretig aftrek vindt. Daarnaast draait hij zijn hand ook niet om voor een dichtbundel, een schaakboek of een wielerverslag. Tenslotte azen regisseurs op zijn bestsellers om die te mogen verfilmen. Kortom, Krabbé is, zoals hij zelf zegt, "diffuus bekend." (Playboy, april 1994)

   Ook de officiële kritiek weet, zoals hierboven reeds naar voren is gekomen, niet goed wat ze met Krabbé aan moet. Zelf lijkt hij er zich weinig van aan te trekken waar hij in de Nederlandse literatuur thuishoort. "Geen enkele zichzelf respecterende schrijver hoort ergens bij. Daar doe je iedere schrijver onrecht mee", zei hij in 1994 tegen interviewster Elma Drayer. Voor Krabbé is het namelijk al voldoende dat zijn naam als schrijver gevestigd is: "Ik ben lang geen onbekend schrijver en op basis van heel weinig en heel vreemde boeken. Ik ben volstrekt onplaatsbaar, maar mijn plaatsje heb ik allang veroverd. Ik ben namelijk de Tim Krabbé van de Nederlandse literatuur." (Playboy, april 1994)