Tim Krabbé                                  
 
 

 

 

 

 

 

 


 

De man die de Babson task wilde maken

Inhoud

   "Wie het verhaal van Drumare niet kent weet niets van schaken." Met deze mysterieuze woorden begint het schaakessay 'De man die de Babson task wilde maken'. De uitgave bestaat uit twee delen die in een oplage van vijfhonderd exemplaren verscheen. De omslagen van deze twee delen hebben de traditionele schaakkleuren wit-zwart (Saillant detail: de binnenkant van de witte omslag is zwart en die van de zwarte omslag is wit). Het witte deel is het tekstgedeelte; in het zwarte deel staan achttien schaakdiagrammen die ter illustratie én ondersteuning van de tekst dienen. Dit deel draagt dan ook de toepasselijke naam 'De problemen.' De tekst wordt overigens opgeluisterd door veertien tekeningen van Klaas Gubbels, die voor het zwarte deel van de luxe editie een fraaie litho vervaardigde.

   Krabbé belicht in zesendertig pagina's het verhaal van de befaamde schaakcomponist Pierre Drumare. Deze geschiedenis vindt reeds haar oorsprong in 1737. In dat jaar publiceerde de rondtrekkende Arabier Philip Stamma zijn boekje 'Essai sur le jeu des échecs'. Indertijd was schaken bereids tweehonderdvijftig jaar bekend. Men speelde al volgens de moderne regels, maar het spel op zich was vrij langdradig. Het boekje van Stamma bracht hierin verandering. Het liet namelijk de opwindende kant van schaken zien. In de honderd stellingen die het werkje rijk was, kwamen de mooiste offercombinaties voor. Voor de schaakwereld was Stamma's uitgave dus een fantastische aanwinst. En niet alleen voor de contemporaine schaker, maar ook voor latere generaties, want het werkje bleef tot circa 1900 het meest populaire schaakboek.

   In Stamma's boekje baarde vooral stelling nummer 71 opzien, omdat hierin een pion tot paard promoveerde. Een dergelijke promotie was nog nooit eerder voorgekomen. Voorheen promoveerde een pion namelijk automatisch tot dame, omdat dat het sterkste stuk is. Stamma liet echter zien dat een paard door zijn bewegingen sterker kan zijn dan een dame. Hiermee had hij de regel van de 'minorpromotie' gecreëerd.

   Korte tijd na de schepping van de paardpromotie rees de vraag of er ook met torens en lopers gepromoveerd kon worden. Met andere woorden: was het mogelijk een stelling te construeren waarin zo'n promotie de sterkste zet was. Pas een kleine eeuw later stond er iemand op die in staat was geweest een dergelijke stelling te bedenken. Het had zo lang geduurd omdat een dame eigenlijk die rol reeds vervuld. Zij oefent immers zowel de functie van toren uit als van loper. Een dergelijke promotie kan alleen gemotiveerd worden door pat, een regel die pas na het jaar 1800 gelijkspel opleverde.

   Na het componeren van deze stelling rees er weer een nieuwe vraag. De componisten vroegen zich af of het mogelijk zou zijn alle vier de promoties van één pion in één probleem te verenigen. Een probleem, waarbij men een bepaald getalsmatig maximum nastreeft, heet in jargon een task. En de task van de viervoudige pionpromotie kreeg de Duitse naam All-Umwandlung, kortweg AUW. Na een aantal verwoede doch minder geslaagde pogingen van beroemde vakgenoten slaagde de Noor Nils Hoëg er in 1905 eindelijk in een vlekkeloze AUW te componeren.

   Wederom wilden de componisten een stapje verder komen. Men vroeg zich af of er binnen de AUW nog speciale kunststukjes mogelijk waren. En opnieuw bogen knappe koppen zich over het schaakbord om hun grenzen te verleggen. Er werden spectaculaire successen geboekt, al misten de componisten toch de kern van de zaak. Er knaagde namelijk één belangrijke vraag aan hun schaakziel: was het mogelijk een echo-AUW (het schaduwstuk in een AUW is dan een promoverende zwarte pion) te creëren? De grote namen hadden er een zwaar hoofd in. Ze zagen in dat indien deze echo-AUW überhaupt al haalbaar was, dan alleen als zelfmat.

   De Amerikaan Joseph N. Babson (1852-1929) was de eerste die zich hier serieus mee bezighield. Babson publiceerde in 1914 zijn eerste echo-AUW: een zelfmat in drie zetten. In 1925 verbeterde hij zijn stelling door middel van twee zetten. In datzelfde jaar schreef de Amerikaan Powers een prijsvraag uit onder de naam 'Babson-toernooi'. Hij riep een ieder op een eerste echo-AUW in een zelfmat te maken, waarin ook de sleutelzet een minorpromotie was. Vanaf die dag staat deze indrukwekkende task bekend als 'Babson-task'. Na het toernooi, dat overigens werd gewonnen door Henry W. Bettmann, bleef het veertig jaar stil rond de Babson-task.

   In 1965 schreef Pierre Drumare een artikel in het Franstalige problemistenblad 'Thèmes-64'. Drumare -reeds bekend door zijn probleem de 'Bodemloze Put' uit 1962-  deed in zijn artikel een worp naar de orthodoxe Babson-task. Hij bekende ruiterlijk dat hij er zich al langer dan een jaar gemiddeld vier uur per dag mee bezig hield. Ondanks deze noeste arbeid rammelde zijn Babson-task aan alle kanten. Toch daagde Drumare aan het eind van zijn artikel andere componisten uit met hem mee te denken over de manier om een volmaakte task te creëren.

   Twee jaar later was het Drumare zelf die opperde dat het onmogelijk was een orthodoxe Babson-task te componeren. Dat kwam louter en alleen door de té korte reikwijdte van het paard. Drumare onderbouwde zijn bewering door het klassieke paard te vervangen door de nachtruiter. Dit paard, dat afkomstig is uit het 'Fairy Chess', kan achter elkaar meerdere sprongen in één richting maken. En met deze nachtruiters meende Drumare in staat te zijn geweest een orthodoxe Babson-task te maken.

   Eind 1972 benaderde Bo Lindgren op briljante wijze de onmogelijk geachte Babson-task. Ondanks de genialiteit haperde er toch het een en ander aan de constructie. Dat was vooral te wijten aan de beperkte capaciteit van het paard, waarmee Drumare dus gelijk kreeg. Het grootste mankement was echter dat Lindgrens constructie wel erg veel leek op die van Drumare uit 1966. Bij nadere beschouwing bleek dat Lindgren nagenoeg het complete raamwerk van Drumare had overgenomen. Hierdoor rook zijn benadering dus sterk naar plagiaat. Aangezien er té veel wetten waren overtreden, viel deze Babson-task buiten de prijzen.

   In 1980 liet Drumare weer van zich horen. Hij stak Lindgren de loef af, doordat hij wél in staat was gebleken het gewone paard te temmen. Ondanks deze nieuwe poging was ook deze Babson-task onmogelijk, omdat er wetten waren overtreden (een probleem moet bijvoorbeeld 'mogelijk' en 'correct' zijn). Toch kreeg Drumare voor deze constructie een prijs, wat veel opschudding onder vakgenoten veroorzaakte.

   In de zomer van 1982 verscheen er opnieuw een artikel van de hand van Drumare. Nadat hij tweeëntwintig jaar aan de Babson-task had gewerkt, gooide hij eindelijk de handdoek in de ring. In zijn artikel -dat een soort laatste wil was- blikte hij met lede ogen terug op zijn nooit tanende strijd. In al zijn bezetenheid wilde Drumare nog één poging wagen. Hij verving het klassieke paard door het dubbelpaard, waarmee hij een legale, vierzettige Babson had gemaakt, al was ook deze task verre van ideaal. Uiteindelijk kwam Drumare tot de conclusie dat de Babson-task nooit volmaakt in een orthodox probleem zou kunnen worden gerealiseerd.

   Enkele maanden later bewees de Rus Leonid Jarosj het tegendeel. Het schaakblad 'Sjachmatji V SSSR' publiceerde de luchtig ogende vierzet van Jarosj, een totaal onbekende in de probleemwereld. Jarosj kreeg alle eer en roem in de schoot geworpen en binnen afzienbare tijd kwam deze geniale Rus zelfs met een tweede versie van de Babson-task voor de dag.

 

Bespreking

   'De man die de Babson task wilde maken' is een schaakessay voor ingewijden. Er komen termen in voor die voor een leek wellicht onbegrijpelijk zijn. "Voer voor psychologen" noemt recensent Peter Schouten (De Stem, 13-6-1987) het werkje, dat "aan het grote lezerspubliek niet besteed is." Volgens eigen zeggen is hij geen ondeskundige op het gebied van schaken, maar de gekte van de problemisten gaat ver boven Schoutens pet. Ondanks zijn negatieve houding ten opzichte van de inhoud, weet hij toch de "heldere en meeslepende" verteltrant van Krabbé te waarderen: "Hij beschrijft buitengewoon geestig hoe dicht het geniale en de waanzin bij elkaar liggen. Voer voor psychologen, maar ook heel wel te consumeren voor simpeler zielen. Mits, ik herhaal het, ze de regels van het spel machtig zijn."

   Als de lezer zich de moeite neemt de gebruikte schaakterminologie eigen te maken, dan kan hij kennismaken met het indrukwekkende verhaal van de Fransman Pierre Drumare die bijna een kwart eeuw van zijn leven wijdde aan de Babson-task. Uit Krabbé's beschrijving van Drumare spreekt oprechte fascinatie voor de man, die in de ogen van de schrijver "een held" is. Krabbé begrijpt de beweegredenen van Drumare, want ook hij heeft een tijdlang de rol van componist vervuld. Het kost Krabbé dan ook geen enkele moeite zich met de Fransman te identificeren. In een Vlaams interview (De Morgen, 30-4-1987) zei hij hierover: "Ik herken maar al te goed wat die Fransman heeft doorgemaakt. Zo heb ik het probleem van de Dolle Toren tot in zijn diepste wezen doorgrond. Maanden heeft het me gekost, 3 à 4 uur per dag, per nacht... Soms tot 5 uur 's morgens. Tenslotte heeft het tot een diagram geleid dat nog nooit eerder zo was geformuleerd. Het vormt mijn minimale bijdrage tot de schaaktheorie."

   In zijn essay laat Krabbé zien dat het componeren van schaakproblemen uiterst secuur werk is. Het begint meestal bij een thema dat de componist in gedachten heeft. Vervolgens stoeit de componist net zo lang met zijn materiaal tot dat thema verwezenlijkt is. Meestal gaat het hier fout, omdat een ogenschijnlijke oplossing vaak vergezeld gaat van een nevenoplossing. De componist geeft echter niet zo snel de moed op en probeert die nevenoplossing te verwijderen. Dan steken er plotseling nog meer nevenoplossingen de kop op. Het plezier van het componeren kan op die momenten verdwijnen als sneeuw voor de zon. Maar gedreven door fascinatie en bezetenheid gaat de componist toch door, want hij heeft slechts één doel voor ogen: hij wil zijn naam onsterfelijk maken.